Vragen we aan iemand zonder kennis van beleggen voor wie hij of zij de meeste sympathie heeft: een actief belegger of een passief belegger, wat zal dan het antwoord zijn? Ik vermoed dat we spontaan zullen horen: ‘Een actief belegger, uiteraard. Dat is evident.’ Waarom? Alleen al in ons taalgebruik wordt ‘actief’ vaak geassocieerd met iets positiefs, sportief, dynamisch. Passief zit in dezelfde hoek als ongeïnteresseerd, lui en vadsig. Daarvoor kiezen we liever niet.

Actief is goed, passief is lui en dus slecht

Wij beleggers weten wel beter. En toch. Vragen we morgen aan een grote groep beleggers, bijvoorbeeld de leden van de VFB, de Vlaamse Federatie van Beleggers, of ze vooral actief of passief zouden beleggen, we zouden hetzelfde antwoord krijgen. ‘Actief beleggen, natuurlijk. Wij maken ons huiswerk en beleggen is een werkwoord, weet je.’ Ik spreek ook uit ervaring als ik u zeg dat leden van een beleggingsclub die niet al te vaak hun handen uit hun mouwen steken, leden die niet al te actief zijn dus, ook niet altijd worden geapprecieerd. Er moet en zal gelezen, gestudeerd, kortom: gewerkt worden.

Scoren met passief beleggen

Nochtans zijn er ook uitstekende beleggers die goed geld verdienen door hun centen in passief beheerde indexfondsen te stoppen. Tim Nijsmans, die onlangs aan bod kwam in onze rubriek “De 3 beleggingen van”, bijvoorbeeld. Hij stelt voor dat beleggers hun beleggingen diversifiëren in een aantal passief beheerde indexfondsen. Daar moet je dan verder niet al te veel naar omkijken.

Jan Longeval schreef helemaal vooraan in zijn eerste boek “God dobbelt niet op de beurs” trouwens ook al dat zowat 90 procent van de fondsbeheerders en 99 procent van de particuliere beleggers slechter presteren dan de index. Je zou voor minder je studiewerk opbergen en je centen gewoon laten beheren door de computer die een indexfonds beheert.

Jack Bogle, de oprichter van vermogensbeheerder Vanguard, dacht er ook zo over toen hij in 1976, twee jaar na de start van Vanguard, het allereerste indexfonds aanbood aan het grote publiek. Twee wijsheden en tips van Jack Bogle zijn: ‘Koop alles. En verkoop nooit.’ Passiever dan dat kan haast niet. Bogle oogstte achteraf veel lof voor zijn visie, zelfs van grote namen als Warren Buffett. Buffett stelt zelfs dat, wanneer hij overlijdt, zijn erfgenamen maar beter hun centen kunnen toevertrouwen aan het indexfonds van Vanguard dat de S&P 500 index kopieert.

Passief beleggen, dus. In een indexfonds, bijvoorbeeld. Als Buffett dat al promoot, Jack Bogle er zijn levenswerk van maakte, Jan Longeval er over schrijft en Tim Nijsmans het met succes uitvoert, wie zijn wij dan dat we hen zouden tegenspreken?

Onderschat de “actieve” beleggers niet!

En toch. Lezen we niet in de rubriek “De 3 beleggingen van” dat een actief beheerde portefeuille vaak niet moet onderdoen voor een passief indexfonds? Kijk maar naar de prestaties van Adrien Bommelaer bij La Financière de l’Echiquier of de jongens van Aphilion, die de beurzen steeds weer kloppen, of nog ons eigenste Spaarvarken Stefan Willems die aan kop staat in het panel van Beursrally 2020. De rendementen die ze behalen tonen aan dat een hoger rendement wel degelijk mogelijk is als je er maar hard genoeg voor werkt. Hebben ze soms geluk? Ongetwijfeld. Maar het is zoals in de sport. Des te harder je traint, des te meer geluk je hebt. Geen toeval, dus.

Is indexbeleggen dan niet goed? Jawel. Natuurlijk wel. En voor heel wat beleggers zijn indexfondsen een uitstekende manier om hun spaarcenten meer rendement te laten opleveren. Zelf beleg ik ook al wel eens in een tracker als ik wat geld wil toevertrouwen aan een sector waar ik niet kan kiezen tussen de vele individuele beursgenoteerde bedrijven. Maar die indexfondsen hebben tegelijkertijd ook wel een groot nadeel.

Aandelen van Tesla kopen. Omdat het moet.

Neem nu zo’n fonds dat de S&P 500 volgt, de index met 500 grote beursgenoteerde Amerikaanse bedrijven. De laatste vijf jaar kon je met die index, en dus ook met de tracker, je geld verdubbelen. Knap! Maar in december hebben al die fondsen wel heel dure Tesla-aandelen moeten inslaan. Dat was een gevolg van het feit dat Tesla toen in de beursindex werd opgenomen. Ik heb er zelf trouwens ook nog wat aan verdiend. Ik kocht wat aandelen van Tesla in aanloop naar de nieuwe samenstelling van de S&P500. Voorlopig is Tesla nog niet gecrasht. Als, of wanneer dat gebeurt, dan zou die daling heel wat kunnen kosten aan de indexfondsen en dus ook aan de beleggingen van menige passieve belegger.

Ook actief beheer volgt vaak de index

De toestand is zelfs nog wat erger. Niet alleen indexfondsen waren gedwongen om te dure aandelen van Tesla in hun portefeuille op te nemen, ook heel wat fondsbeheerders in actief beheer kochten onlangs Tesla. Omdat ze overtuigd zijn van het potentieel van de autofabrikant? Neen. Omdat ze van mening zijn dat Tesla een goedkoop aandeel is? Zeker niet. Wel omdat ze de S&P 500 index als zogenaamde ‘benchmark’ of referentie-index gebruiken. Ze worden daarop afgerekend. Heb je dan als fondsbeheerder geen Tesla in portefeuille, durf je dus af te wijken van de index, dan kan die beslissing de fondsbeheerder duur komen te staan als het te dure aandeel van Tesla nog wat duurder wordt. Hij zal dan immers moeten uitleggen waarom hij het minder goed deed dan de index. Om dat risico te vermijden koopt die beheerder dan maar wat Tesla, om de index te spiegelen. Ook al is hij ervan overtuigd dat Tesla te duur is.

Opgepast: zeepbel!

Zo worden zeepbellen nog wat groter. Niet enkel door passief beheerde fondsen, ook door actief beheerde fondsen die al bij al vrij passief worden beheerd. Particuliere beleggers en fonds-beheerders die het voordeel hebben om niet te worden beoordeeld op de ultrakorte termijn, die hebben dus nog heel wat kansen om het beter te doen dan de index. Dat moet ook de betrachting zijn van iedere belegger die enigszins vertrouwd is met de materie. Wie zich inzet en tijd en energie stopt in zijn hobby of zijn job, die moet beter kunnen doen dan de markt of de index. Dat kan door zowel passief als actief te beleggen. Een deel passief, als basis. En dan minstens een deel actief, voor de accentverschillen. Maar wel altijd volgens de regels van de kunst: geen overdreven risico’s, een gezonde spreiding en altijd bijsturen waar nodig. Zo kan ook u uiteindelijk beter doen dan uw referentie-index. Succes!