Elias Verbanck

Gevestigde waarden hebben de laatste jaren veel aan autoriteit ingeboet. We leven in postmoderne tijden en het postmodernisme kent geen zekerheden of ‘grote verhalen’ meer. Deze cultuurstroming trekt de absolute waarheid in twijfel; verschillende opvattingen en strekkingen bestaan naast elkaar, zonder dat er één dominant is. De voorbije decennia manifesteerde deze cultuurstroming zich in eerste instantie in de filosofie, kunstwereld en de literatuur. Gaandeweg liet dit gedachtegoed ook zijn sporen na in andere domeinen, zoals de wereldpolitiek en het bankwezen.

Tot voor kort was deze tendens niet of nauwelijks merkbaar in ons geldsysteem. Zelfs de opschudding en vertwijfeling die de financiële crisis van 2008-2009 veroorzaakte, bracht hier maar weinig verandering in. Veel burgers gebruiken over het algemeen nog altijd de nationale munt als betalingsmiddel (om praktische redenen), maar ook om te sparen, te beleggen e.d.m. We zijn er zo mee vertrouwd we dit concept nauwelijks nog in vraag stellen. Maar stilaan groeit de twijfel: wat zijn onze zuurverdiende centen eigenlijk nog waard?

De dollar, de euro, de yen, het pond en andere (supra)nationale munten domineren het betalingsverkeer. Op wereldschaal blijft de dollar de belangrijkste handels- en reservemunt. Dat is al zo sinds halfweg de vorige eeuw. Het lijkt erop dat het monetaire beleid van de centrale banken de economie en de markten dirigeren. Hun invloed op beursindexen en vastgoedprijzen valt niet te onderschatten. Private banken hebben in de loop der tijd ongeziene rijkdom naar zich toegetrokken en laten hun macht gelden in alle geledingen van de samenleving, niet in z’n minst in de politiek. Herman Wijffels, ex-topman van het Nederlandse Rabobank, zei onverbloemd in een interview in 2015: ‘Amerika wordt niet bestuurd door Washington, maar door Wall Street’.

Dit hegemonische bastion begint echter barsten te vertonen. De absolute macht van het oude geld is niet langer boven alle twijfel verheven. Archaïsche en nieuwe vormen van geld presenteren zich als alternatief, zoals beleggen in goud of investeren in bitcoin. Wat is er aan de hand? Verliest het geld zoals we dat nu kennen zijn alleenheerschappij? Zijn we op weg naar een postmodern geldsysteem?

Het fiatgeldsysteem

De euro’s, dollars, yens en ponden waarmee we vandaag betalen, wordt fiatgeld of fiduciair geld genoemd: het is niet gebaseerd op iets dat intrinsieke waarde heeft. De woorden fiat en fiduciair zijn afgeleid van het Latijnse woord voor vertrouwen. In de vorige eeuwen bestond er een systeem, de goudstandaard, waar geld gelinkt was aan goud. De effectieve hoeveelheid goud in de bank garandeerde de waarde van het (fictieve) papieren geld. Er zijn in de geschiedenis meerdere voorbeelden te vinden van geldsystemen die volledig – of voor een beperkt percentage – door goud en/of zilver gedekt werden. Toen Richard Nixon in 1971 het goudvenster sloot, werd de verbinding tussen de dollar en goud definitief verbroken. Sindsdien schommelen de wereldmunten ten opzichte van elkaar zonder anker in edelmetaal.

Geldcreatie

Vandaag de dag is het meeste geld (meer dan 90%) giraal geld, digitaal geld op een rekening dat ontstaan is als schuld. Als een partij een lening aangaat bij een commerciële bank, wordt dit geld uit het niets gecreëerd en verschijnt het op de balans van die bank. Het balanstotaal wordt hierdoor vergroot. Het is door het tegelijkertijd creëren van een schuld van de klant aan de bank en van de bank aan de klant, dat er giraal geld ontstaat. Er zijn ook andere manieren van geldcreatie, maar die zijn veel minder belangrijk. Hierover later meer. Geld kan hierdoor beschouwd worden als een uitwisselbaar schuldbewijs. Het is vreemd dat mensen geld associëren met iets dat waarde heeft. Wie het geldsysteem begrijpt, weet dat dit een misvatting is en dat geld eigenlijk schuld representeert.

Het gegeven dat commerciële banken geld creëren bij het verschaffen van kredieten betekent niet dat banken zonder beperkingen eindeloos geld kunnen bijmaken. Eerst en vooral moet er vraag zijn naar kredieten. Vervolgens zijn er wettelijke vereisten voor banken op het vlak van solvabiliteit en liquiditeit die een ongebreidelde schuldenlast en geldcreatie tegengaan: de conventies van Basel. Tenslotte is er het monetaire beleid van de centrale bank waarmee men onder andere de vraag naar leningen kan beïnvloeden.

Wanneer de schuld aan een bank afbetaald wordt, verdwijnt het geld weer van de balans van die bank, waardoor hun balans weer krimpt. Bij het afbetalen van een lening kan men stellen dat het giraal geld eigenlijk vernietigd wordt. Het terugbetalen van schulden aan de bank zorgt er dus voor dat de geldhoeveelheid in de wereld afneemt. Theoretisch gezien zou men kunnen stellen, dat wanneer alle schulden in heel de wereld tegelijkertijd terugbetaald worden, er in principe geen geld meer overblijft. In de praktijk gaat dit niet helemaal op: er bestaan immers ook andere – weliswaar minder belangrijke – vormen van geldcreatie.

De commerciële banken

Omdat giraal geld bij de commerciële banken ontstaat en op rekeningen van die banken staat, zijn het geldsysteem en het commercieel banksysteem sterk met elkaar verweven. Banken zijn nader beschouwd intrinsiek fragiele instellingen en er zijn risico’s voor de rekeninghouder waarvan het grote publiek zich onvoldoende bewust is. Als u geld op een bankrekening plaatst, bent u eigenlijk geen eigenaar meer van dat geld. U heeft een vordering op de bank ter waarde van het bedrag dat u op die rekening geplaatst heeft. Eigenlijk is geld op een bankrekening schuld van de bank aan de rekeninghouder.

Het geld dat u plaatst, komt op de balans van de bank terecht. Als een bank verlies lijdt, moet de bank dit opvangen door het eigen vermogen aan te wenden. Ten opzichte van het balanstotaal hebben banken slechts een heel beperkt eigen vermogen aan de activazijde. Voor veel banken gaat het om minder dan 5%. Deze grote hefboom maakt dat banken gevoelig zijn voor economische schokken. Er zijn wettelijk bepaalde kapitaalvereisten, vastgelegd in de al eerder genoemde Baselconventies, maar die zijn tot op heden veeleer beperkt. Als een bank een verlies lijdt dat groter is dan het eigen vermogen, is de bank in principe failliet. In dat geval loopt u als rekeninghouder een groot risico. De kans is heel reëel dat het niet zal lukken om geld terug te vorderen van een partij die failliet is, in casu de desbetreffende bank. Veel Europese banken verkeren in de gevarenzone. Denk bijvoorbeeld maar aan de zwakke positie van de Italiaanse bankensector en de recente berichten die over Deutsche Bank in de media verschenen.

COVID-19 zorgde voor nog meer problemen. De uitbraak van dit virus veroorzaakte een grote economische terugval met als gevolg grote verliezen, schulden en faillissementen. Dit zowel bij particulieren als bij bedrijven. Aangezien de meeste schulden aangegaan zijn bij banken, bestaat het risico dat banken met verliezen te maken krijgen die groter zijn dan het eigen vermogen.

Omdat de meeste overheden zich ervan bewust zijn dat banken in de problemen kunnen komen, zijn er in alle Europese landen depositogarantiestelsels uitgewerkt. Het is echter zeer de vraag of die overheden in staat zullen zijn om hun beloftes na te komen in geval van een grote crisis. Neem nu België: in de maand mei stond er een gigantisch bedrag van in totaal 289 miljard euro op de spaarboekjes. Indien er zich een grote systeemcrisis zou voordoen, is het onwaarschijnlijk dat het garantiefonds van de Belgische overheid voldoende middelen zal kunnen samenbrengen om garant te staan voor echt grote bedragen.

De schuldenberg

In de loop der jaren is de globale schuldenlast enorm toegenomen. De schuldenbergen van zowel overheden, bedrijven als particulieren groeien gestaag aan. Tot voor kort waren torenhoge schulden vooral een fenomeen van de oude economieën: de VS, Europa, Australië en – niet te vergeten – Japan. De laatste jaren hebben ook een aantal nieuwe economieën een zeer grote schuldenexpansie gekend. Vooral China, de tweede economische grootmacht ter wereld, heeft in korte tijd een gigantische schuld opgebouwd.

Uit cijfers van CNBC, die voor het begin van de coronacrisis verschenen, bleek dat de totale wereldwijde schuld de voorbije 10 jaar met 50% gestegen is. Een onderzoek van vorig jaar van het Institute of International Finance wees uit dat de wereldwijde schuld – publiek en privaat – opgelopen was tot 253 biljoen dollar, wat overeenkomt met 320% van het wereldwijde bruto binnenlands product (bbp). Het is nog te vroeg om in te schatten hoe hoog die schulden zullen oplopen als gevolg van de huidige crisis. In ieder geval zal dit een enorme invloed hebben op de staatsschulden, omdat overheden geconfronteerd zullen worden met de gevolgen van lagere inkomsten en hogere uitgaven (o.a. voor gezondheid en werkloosheid). Het Centrum voor Strategische en Internationale studies (CSIS) maakte in mei dit jaar de volgende inschatting: alleen al de G20-landen zullen ruim 7.000 miljard extra schulden in hun begroting moeten opnemen als gevolg van de crisis. Dit komt overeen met ruim 10% van het bbp van deze landen. Deze cijfers zijn exclusief de budgetten die de Europese Unie ter beschikking stelt.

Het is hierbij ook belangrijk om op te merken dat de stijging van de schulden veel sneller oploopt dan de groei van de economie. Lakshman Achuthan, een analist die al 30 jaar de conjunctuurgolven bestudeert, vertelde tijdens een interview voor Real Vision dat de groei van de mondiale schuld het voorbije jaar 10 keer groter was dan de groei van het wereldwijde bbp. De schulden die nu gemaakt worden, als reactie op de uitbraak van COVID-19, ontstaan binnen de context van een krimpende economie. Hierdoor valt de verhouding tussen de schuld en het bbp nog slechter uit.

De geldcreatie loopt parallel met de creatie van schulden, net omdat giraal geld ontstaat bij het aangaan van een schuld. Geld en schuld zijn twee kanten van dezelfde medaille. Men kan dus ook stellen dat de hoeveelheid geld in de wereld is toegenomen: de geldcreatie overstijgt de groei van het bbp en neemt verder toe.

Extreem monetair beleid

Als antwoord op de kredietcrisis stelden de centrale bankiers een extreem monetair beleid in. De interesten werden verlaagd tot historisch lage niveaus: bijna nul of zelfs nul procent. De beslissing van de centrale banken om de rentes naar die historisch lage niveaus te laten zakken, maakte het lenen van geld aantrekkelijker, wat zorgde voor een verdere schuldenopbouw. Door de zware schuldenlast wordt de wereld erg gevoelig voor rentestijgingen. Een normalisering van de rente zou immers de particulieren, bedrijven en overheden met een grote schuldenlast in de problemen brengen. Een met schulden overladen wereld verdraagt geen substantiële stijging van de rente. Nu de rente echter nagenoeg op nul staat, kunnen centrale banken geen recessie meer bestrijden met het rentewapen. Dit wordt met een technische term omschreven als het zerolowerboundprobleem.

Centrale banken gingen vervolgens experimenteren met andere instrumenten om de economie bij te sturen. Als reactie op de kredietcrisis en de problemen met te hoog oplopende staatsschulden, hebben de belangrijkste centrale banken van de wereld quantitative easingprogramma’s (QE) opgestart. Met deze programma’s kopen ze effecten op die op de beurs verhandeld worden. Meestal zijn dat staatsobligaties, al komen andere verhandelbare rechten zoals bv. aandelen ook wel in aanmerking. Die aankopen gebeuren met geld dat eigenlijk niet bestaat, maar gecreëerd wordt om de transacties mogelijk te maken. Daardoor komen de effecten op de balans van de centrale bank te staan en komen er liquiditeiten – het nieuw gecreëerde geld – bij financiële instellingen terecht.

De Europese Centrale Bank (ECB) kocht in de jaren voorafgaand aan de coronacrisis, voor ongeveer 2.600 miljard aan effecten op en plaatste die bij op hun balans. De Federal Reserve (Fed) organiseerde na de crisis van 2008-2009 drie quantitative easingprogramma’s en dikte zo haar balans aan tot meer dan 4.000 miljard dollar. De Fed kon in de jaren 2018 en 2019 het geldbeleid wat normaliseren en bouwde haar balans af. De Japanse centrale bank, die al rond de eeuwwisseling met QE experimenteerde, is ondertussen ook gestart met het opkopen van aandelen. Volgens een studie van Bloomberg was de Bank van Japan (BoJ) in 2016 een toptienaandeelhouder in circa 90% van alle Japanse bedrijven in de Nikkei 225 en een topvijfaandeelhouder in circa een kwart ervan. Als dat zo doorgaat, wordt de centrale bank op termijn eigenaar van de Japanse economie. Ironisch zou men dan kunnen stellen dat het kapitalisme hier de facto overgaat in een soort staatseconomie.

Toen werd de wereld echter getroffen door een pandemie en als gevolg daarvan kreeg de economie een enorme dreun. De centrale banken zagen zich verplicht om in te grijpen. De ECB kwam met een zogenaamd Pandemic Emergency Purchase Programme (PEPP), ter waarde van 750 miljard euro en voegde daar later nog eens 600 miljard aan toe. Hiermee kon de Europese Centrale Bank zowel overheids- als bedrijfsobligaties kopen. De Federal Reserve breidde de balans uit met 2.900 miljard in slechts drie maanden tijd. Volgens het mediabedrijf Time kan de balans tegen eind 2020 oplopen tot 8 biljoen dollar (8.000 miljard). Ook de centrale banken van het Verenigd Koninkrijk, Japan en velen andere landen, gingen over tot verregaande maatregelen. Dit alles leidde ertoe dat de centrale banken ongezien veel geld in de markten brachten.

Modern Monetary Theory – MMT

Welke instrumenten hebben centrale banken nog achter de hand nu de rentes rond nul procent schommelen en de quantitative easingprogramma’s nooit geziene proporties aannemen? De laatste jaren wordt er, vooral in de VS, steeds meer gesproken over de Modern Monetary Theory (MMT). Een grondige bespreking van deze theorie zou ons te ver leiden en valt buiten het bestek van dit stuk. Ik beperk me daarom tot enkele kerngedachten. In tegenstelling tot wat we intuïtief zouden denken, gaat een staat niet eerst belastingen innen om vervolgens uitgaven te doen. Neen, ze geeft éérst geld uit en int pas later belastingen. In die zin is de overheid bij zijn uitgaven niet gelimiteerd door inkomsten. Landen die hogere uitgaven hebben dan inkomsten, bouwen op die manier schuld op, maar zullen nooit failliet gaan zolang de schulden in de eigen munteenheid opgebouwd worden. Een land met uitsluitend schulden in de eigen munt kan onmogelijk bankroet gaan. De staat heeft immers het monopolie om geld bij te drukken en kan daarmee altijd aan zijn schuldverplichtingen voldoen. De overheid speelt met haar uitgaven een belangrijke rol in het stimuleren van de economie. Sommige pleitbezorgers van de MMT stellen grotere overheidsuitgaven voor. Indien dit nodig blijkt, bijvoorbeeld als de inflatie te veel zou oplopen, kan de staat het geld terug uit omloop halen door middel van belastingen.

Het voorbije decennium is er vooral met het monetaire beleid gestuurd. De inzichten uit de MMT kunnen de weg openen naar een soepeler begrotingsbeleid. Als gevolg van de economische schok die we nu doormaken gaan alle overheidsbegrotingen zwaar in het rood. Overheden die grote begrotingstekorten creëren en centrale banken die een beleid voeren om deze te financieren, brengen ons de facto op het terrein van de MMT. De vooruitzichten laten vermoeden dat dit niet zo snel zal veranderen. Het economisch herstel zal moeilijk zijn en de overheid staat voor grote uitdagingen: de pensioenen, de strijd tegen klimaatverandering, investeringen in infrastructuur … Overheidstekorten, verdere schuldenopbouw en een onorthodox soepel geldbeleid kunnen het nieuwe normaal worden.

Een opgeblazen financieel systeem

De aanzwellende hoeveelheden geld en schulden hopen zich op in het financiële systeem. Obligatie-, aandelen- en derivatenmarkten barsten uit hun voegen. De totale wereldwijde obligatiemarkt bedraagt ongeveer 100.000 miljard dollar (SIFMA, 2019). De meeste mensen vinden obligaties nog steeds een goede manier van beleggen. Een obligatie is echter een belegging in de schuld van een andere partij. Naarmate de schulden toenemen, groeit ook het risico op wanbetalingen. De rentes op obligaties zijn vandaag, mede door het beleid van de centrale banken, zeer laag. Het is nog maar de vraag of de lage couponrentes in verhouding staan tot de toenemende risico’s. Heel wat Europese landen geven staatspapier uit tegen negatieve rentes. Geld lenen en er geld bovenop krijgen, het is een absurde situatie.

Ook de koersen van aandelenmarkten worden omhooggeduwd door het monetaire beleid. De lage interesten, de opkoopprogramma’s van de centrale banken en het gebrek aan andere aantrekkelijke investeringen spelen hierbij een belangrijke rol. Toen het coronavirus uitbrak, doken de aandelenmarkten flink naar beneden. De genereuze stimuleringsmaatregelen van overheden en centrale banken waren bedoeld om het tij te doen keren. De aandelenkoersen scheren ondertussen opnieuw hoge toppen. De rugdekking van de centrale banken doet ons vergeten dat de echte economie nog niet hersteld is.

De markt van derivaten kende de meest spectaculaire groei. Derivaten zijn complexe financiële producten die hun waarde ontlenen aan een onderliggende waarde zoals aandelen of grondstoffen maar ze zijn zelf niet meer dan een soort contract. Ze bestaan in verschillende vormen: futures, opties, swaps, forwards, … Een voorbeeld: als je staal verhandelt met derivaten, hoop je winst te maken door middel van speculatie. In werkelijkheid echter wordt er bij deze transacties geen kilo reëel staal verhandeld. Het afgeleide financiële product geeft enkel een prijsverandering van de onderliggende waarde weer.

Schattingen over de grootte van de derivatenmarkt lopen erg uiteen. Volgens Investopedia heeft die markt een omvang van 1,2 biljard dollar (een biljard = 1 miljoen keer 1 miljard). De Bank voor Internationale Betalingen (BIS) komt uit op een bedrag dat ongeveer de helft lager ligt, maar houdt enkel rekening met de OTC-contracten. Laten we dit even in perspectief plaatsen en dit bedrag vergelijken met de omvang van de wereldeconomie. Volgens het Internationaal Monetair Fonds (IMF) bedraagt het globale bbp 83.000 miljard dollar. Dit zou betekenen dat de derivatenmarkt alleen al ongeveer zeven tot veertien keer groter is dan de totale wereldeconomie.

De reële economische realiteit en handel verschillen enorm van deze virtuele financiële wereld. Ad Broere schrijft in zijn boek Geld komt uit het niets: ‘Slechts 2% van de financiële transacties heeft betrekking op de reële economie die de productie van en handel in echte goederen en diensten weerspiegelt en 98% ervan heeft een speculatief karakter’. De meeste geldstromen en financiële producten worden beheerd of gecreëerd door banken, waardoor het relatieve belang van deze sector in de economie zwaar doorweegt. De banksector is gemeten, op basis van zijn totale vermogen, veel groter dan de reële economie. Uit een studie van Febelfin uit 2017 blijkt dat de totale activa van de bankensector in de Eurozone 276% van het bbp bedraagt. Voor België is dit 260% en voor Nederland maar liefst 350%.

Door de enorme omvang van de financiële wereld is de invloed op de echte economie disproportioneel groot. Men zou kunnen stellen dat de staart met de hond kwispelt. Net die scheefgetrokken verhouding verklaart waarom een storing in de bancaire sector zo snel voor narigheid zorgt in de echte economie. Tot op heden lijken de steunmaatregelen van overheden en centrale banken te volstaan om de gevolgen van de huidige crisis op te vangen, maar het is moeilijk te voorspellen wat de gevolgen op langere termijn zullen zijn.

Ongelijkheid

De aanwezigheid van veel – wellicht te veel – nieuw gecreëerd geld heeft er niet voor gezorgd dat iedereen voldoende financiële middelen heeft om menswaardig te leven. De ongelijkheid is in de meeste landen van de wereld zelfs sterk toegenomen. Joseph Stiglitz schreef in november 2018 een artikel in Scientific American waarin hij aangeeft dat de drie rijkste Amerikanen evenveel bezitten als de armste helft van de bevolking van de VS en volgens Oxfam bezitten de rijkste 26 burgers van de wereld evenveel als de armste helft van de wereldbevolking.

Die ongelijkheid kreeg de voorbije jaren opvallend meer aandacht in de pers en publicaties. In het bijzonder in het werk van de Franse econoom Thomas Piketty wordt deze problematiek aan de kaak gesteld. Zijn Kapitaal in de 21ste eeuw was een internationale bestseller, wat uitzonderlijk is voor een boek over economie.

Ik ga in dit artikel niet verder uitweiden over ongelijkheid, maar wil wel nog graag de link leggen met het monetaire beleid. Een veel gehoorde kritiek op de quantitative easingprogramma’s van de centrale banken is dat het geld dat de centrale banken in de markten gepompt hebben, de prijzen van financiële producten – voornamelijk aandelen, maar ook vastgoed – sterk opgedreven hebben.

De mensen die al veel bezittingen hadden, zien de koersen stijgen en hun vermogen toenemen. Voor de groepen die geen bezittingen hadden, wordt het door de opgeblazen prijzen steeds moeilijker om bezit te verwerven. Op deze wijze kan het beleid van de centrale banken ongewild de ongelijkheid verder vergroot hebben.

Het is niet ondenkbaar dat het draagvlak bij de meerderheid van de bevolking voor de huidige gang van zaken afbrokkelt. Af en toe hoor je pleiten voor quantitative easing voor het volk. Hiermee bedoelt men dat er geld aan de burgers uitgedeeld wordt om de consumptie op te drijven en zo de economie te ondersteunen. Ben Bernanke van de Federal Reserve alludeerde eerder al op de mogelijkheid van helikoptergeld. Dit lijkt misschien vergezocht, maar vorig jaar maakte de overheid van Hong Kong bekend dat ze aan alle meerderjarige inwoners 10.000 Hongkongse dollar ging uitdelen. En om de door de pandemie getroffen burgers financieel te ondersteunen, deelt de overheid in de VS cheques uit met een waarde van ongeveer 1.000 dollar.

Geopolitieke verschuivingen

Het geld-, financieel-, en betalingssysteem zijn uiteraard ook erg belangrijk in de internationale politiek en de machtsverhoudingen tussen landen. De centrale rol van de dollar en de strijd om de dollarhegemonie te consolideren, dan wel te doorbreken, is daarbij cruciaal.

Na de Tweede Wereldoorlog was het zaak de wereldhandel terug op gang te krijgen. Tijdens de conferentie van Bretton Woods werden afspraken gemaakt die ervoor zorgden dat de Amerikaanse dollar de globale reserve- en handelsmunt werd. Dit hielp de Amerikaanse economie enorm vooruit. Aangezien de meeste grondstoffen in dollar verhandeld worden, moeten economische actoren dollars aankopen om aan grondstoffen te komen. Zo kan de dollar een sterke munt blijven, ook als de schulden en handelstekorten van de VS oplopen. Het land heeft in het verleden laten zien dat het ver wil gaan om deze machtspositie te behouden: het dreigde met militaire interventies als olieproducerende landen pogingen zouden ondernemen om aardolie in andere valuta dan de dollar te verkopen.

De VS heeft ook een dominante positie in internationale financiële instellingen, zoals de Wereldbank en het IMF. Hierop is – en was –  internationaal veel kritiek. Zo zou de VS een verborgen agenda hebben om via deze instellingen ontwikkelingslanden door middel van kredietverstrekking aan zich te binden. Het boek Confessions of an Economic Hit Man van John Perkins laat hiervan de excessen zien.

De VS heeft ook voldoende invloed om het internationale betalingssysteem SWIFT als drukkingsmiddel te gebruiken. Omdat ze niet instemden met bepaalde eisen van de VS, werden Noord-Koreaanse en Iraanse banken als straf afgesneden van het SWIFT-betalingssysteem. Op die manier werd het voor deze landen erg moeilijk om deel te nemen aan de wereldhandel. Ook overwoog het Westen – onder invloed van de VS – om dezelfde strategie toe te passen na het Russische optreden in de Krim, maar zover kwam het uiteindelijk niet.

Dit geopolitieke spel om de positie van de dollar en het zeggenschap over het internationale betalingsverkeer, wordt tot op heden gedomineerd door de VS. Maar er is een tegenmacht in opbouw. China voelde zich ondervertegenwoordigd in het IMF en de Wereldbank en richtte daarom de Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB) op als alternatief voor deze instellingen, die vooral door het Westen worden gedomineerd. China heeft ook een eigen internationaal betalingssysteem gelanceerd: het China International Payment System (CIPS). Daarmee hopen ze tevens de Chinese yuan een belangrijkere rol te laten spelen op het wereldtoneel.

Jim Rickards, een ex-CIA-medewerker, gespecialiseerd in financiële oorlogsvoering, vertelde in een interview dat een aantal landen, waaronder China, Iran en Rusland aan een eigen cryptomunt werken, waardoor ze eventuele internationale sancties kunnen omzeilen. Deze landen maakten ook afspraken om onderling handel te drijven op basis van goud, zonder er dat er dollars aan te pas hoeven te komen. De centrale banken van die landen zijn bezig met het opbouwen van goudreserves, als alternatief voor reserves in dollars. Op die manier zijn ze zeker dat de goudvoorraden in hun kluizen niet onderhevig zullen zijn aan eventuele sancties vanuit de VS.

Men probeert ook op andere manieren de dollarhegemonie te doorbreken. In 2018 startte de beurs van Shanghai met de handel in oliefutures die noteren in yuan. De Chinezen kunnen zo olie kopen in hun eigen munt en rekenen erop dat ook andere spelers op de markt olie in yuan zullen verhandelen.

Ondertussen zie je de term de-dollarisatie af en toe opduiken in kranten en op het internet. De loskoppeling van de dollar is een geleidelijk proces, dat wellicht meerdere decennia zal duren. Meer en meer landen willen afstand nemen van de dollar, zowel in hun reserves als voor de handel. Op de jaarlijkse conferentie voor centrale bankiers stelde Mark Carney, gouverneur van de Bank of England (BoE), voor om een einde te maken aan de internationale afhankelijkheid van de Amerikaanse dollar. Hij suggereerde om als alternatief voor de dollar een digitale munt te gebruiken, die gebaseerd is op meerdere valuta.

Het eindspel?

Veel van wat u hierboven heeft gelezen, verbaast u misschien of is soms moeilijk om te geloven. De werking van het internationale geldsysteem staat dan ook heel ver van onze dagelijkse ervaringen met geld op microschaal: betalen, sparen, krediet opnemen … Henry Ford deed ooit de volgende treffende uitspraak ‘It is well enough that people of the nation do not understand our banking and monetary system, for if they did, I believe there would be a revolution before tomorrow morning’.

De versnelde schuld- en de daarmee gepaard gaande geldcreatie, verlies aan koopkracht, een extreem monetair beleid, opgeblazen derivatenmarkten en geopolitieke strategieën om de dollar te ondermijnen, roepen kritische vragen op. Sommigen spreken in deze context van het eindspel.

Auteurs, zoals Willem Middelkoop, onderzoeken de mogelijkheid om het systeem te resetten. Als het geld- en banksysteem toch opnieuw op de ontwerptafel moeten, vormt dit een uitgelezen kans om de grote uitdagingen van deze tijd op te nemen in het nieuwe ontwerp. We hebben een systeem nodig dat de vraagstukken van ongelijkheid, klimaatverandering en milieuproblemen hierin een centrale plaats geeft. Het is hierbij belangrijk externe kosten te internaliseren.

Het is nog te vroeg om de effectieve gevolgen van de coronacrisis in te schatten. Enkele zijn wel al duidelijk: gigantische begrotingstekorten en het verder opbouwen van staatsschulden, het verder verlagen van de rente (waar dit nog kan) en meer quantitative easing. Een normalisering van de situatie lijkt voorlopig niet in zicht, integendeel.

Lees deel 2: Goud als alternatief voor fiatgeld.

Lees deel3: Digitale munten, nieuw geld voor een nieuw tijdperk.

Lees deel 4: De cryptomunt van Facebook. Libra wordt diem.

Lees deel 5: Lokale geldsystemen, geld in games en het postmoderne gelduniversum.

Elias Verbanck (°1977) studeerde bio-ingenieur aan de universiteit van Wageningen. Hij is geboeid door de grote vraagstukken van deze wereld: economie, monetair beleid, geopolitiek, klimaatbeleid, de energietransitie, … De laatste tijd richt hij zijn aandacht voornamelijk op het geld- en financieel systeem. Verbanck vindt dat de traditionele media te weinig aandacht geeft aan dit thema. Dit terwijl we volgens hem met een grote kans van waarschijnlijkheid voor grote problemen en veranderingen staan. 

Met dank aan Dirk Wellens en Sven Vande Broek voor de medewerking aan deze tekst.