Een mistige zaterdagochtend in de lente van 1979. Mijn ouders deelden mij en mijn broers mede dat we die voormiddag zouden gaan winkelen in de GB van Mol. De GB stond toen nog bekend als de Grand Bazar.

Ik was niet meteen razend enthousiast, want ik had me voorgenomen om met mijn riddertjes te spelen. En als ik mij iets voorgenomen had, dan was het niet altijd even makkelijk om mij te overtuigen om mijn plannen te wijzigen. Niet dat ik een ongehoorzaam kind was. Integendeel. Ik was de braafheid zelve. Als ik het heb over overtuigen, dan bedoel ik dat vooral intern; ik versus mijn brein. De klik om te doen wat van mij gevraagd werd, kwam er altijd pas na een mentale voorbereiding of babbel met mezelf.

Gelukkig duurde dat nooit heel lang en waren mijn ouders niet vaak impulsief. Instinctief hield ik sowieso altijd een oortje in het zeil. Ik luisterde vaak de gesprekken tussen mijn ouders af, om het minder eufemistisch te zeggen. Zulks leverde een aantal niet te verwaarlozen voordelen op, waarvan het snel op de hoogte zijn van de planning der gezinsactiviteiten en vooral het mentaal anticiperen daarop de belangrijkste waren. Verder was ik ook gewoon nieuwsgierig. Een eigenschap die mij ook nu nog kenmerkt.

In mijn beleving was de GB van Mol een reusachtige winkel. Ik herinner me ook nog witte vloertegels met zwarte spikkels en een gigantisch grote speelgoedafdeling, al valt dat meer dan waarschijnlijk te relativeren. Ik mocht er vrij rondlopen en van dat privilege maakte ik gretig gebruik. Ordinaire levensmiddelen (nu de afdeling ‘Food’ genoemd) interesseerden me niet. Mijn ouders zouden wel zorgen dat ik eten kreeg. Wat dat dan wel precies zou inhouden, interesseerde mij geen moer. Een makkelijke eter ben ik altijd wel geweest. Een makkelijke drinker nog veel meer, maar dat behoeft geen betoog en al zeker geen toog, want ik ben geen cafédrinker, eerder een thuisdrinker.

Ik focuste dus vooral op het speelgoed en misschien meer nog op de mensen. Ik bekeek ze graag. Hun uiterlijk, manier van lopen, hun onderlinge gesprekken en de interactie met hun kinderen. Soms deed ik alsof een speelgoedje me interesseerde om heel dicht in de buurt te komen van een babbelend koppeltje of een ander kindje dat aan het praten was met zijn mama of papa.

Plots verdwenen die stemmen helemaal naar de achtergrond, tot ze herleid werden tot het absolute niets. Het was alsof ik ineens meegezogen werd in een lange, witte tunnel naar het niets. Een aandachtsopslorpende leegte, waardoor de omgeving, het heden, het verleden en de toekomst tegelijkertijd waardeloos werden. Ik zag een hele bak vol ridders, MIJN ridders. De ridders die ik verzamelde, waar ik zogezegd mee speelde, maar die ik in feite uitsluitend bewonderde, betastte, aanbad.

Ze waren zo mooi afgewerkt, met hun glimmende harnasjes, hun diverse houdingen en wapens en hun mooie lichtgroene steunvlakje. In die periode droomde ik regelmatig van die riddertjes. Ik was er zo door geobsedeerd dat ik er geen rekening mee had gehouden dat mijn collectie niet compleet was.

Verrukt was ik nu ik in die grote bak vol ridders een exemplaar zag dat ik nog niet bezat. Het woord ‘bezat’ leidt me even af van de essentie, bierlustig als ik momenteel (bijna veertig jaar later) ben, maar gelukkig herpak ik me. Het was een ridder met een fraai wit kleed over zijn harnas, met daarop een indrukwekkend rood kruis. Bovendien stond hij aanvalsklaar met een stok waaraan een korte ketting en een ijzeren bal met scherpe driehoekjes bevestigd was. Een goedendag, zoals dat heet. Machtig was dat! Je kon zelfs wiebelen met het kettinkje, zodat het levensechter leek dan levensecht. Dit riddertje lééfde. Ik aaide en knuffelde het.

Mijn ouders terugvinden in de kolossale GB van Mol leek kinderspel. Ik rook ze bijna. Ik legde voor alle zekerheid mijn oor op de witte tegels met zwarte spikkels om hun stappen te herkennen, ontweek tientallen vijandige winkelkarretjes, wreef tegelijkertijd over mijn oor tot het minder koud was en ontdekte in geen tijd mijn vader. In de volksmond, of althans in die van mezelf en van mijn broers, meestal en bijna voortdurend ‘onze pa’ genoemd. Ik vloog ernaartoe.

Voor de vorm zou ik vragen of ik dit fabelachtige speledingetje kreeg. Het leek een formaliteit. Mijn ouders zouden mijn smachtende blik (h)erkennen, mijn verlangen als schattig ervaren en mijn onberispelijke gedrag thuis en daarbuiten valideren met een simpel en bevestigend ‘ja, jongen, als je dat zo graag wil, dan mag je dat hebben’. Zo was het al vaker gegaan. Gewoontes kweken was makkelijk, zeker als ze aangenaam waren.

Niet dat er nonchalance kroop in mijn pleidooi om mijn ouders te overtuigen van deze essentiële aankoop. Bijna smekend vroeg ik hun toestemming, al bonsde mijn hart al van plezier, enthousiasme en het vooruitzicht om dit machtige exemplaar toe te voegen aan mijn collectie. Misschien net iets te voorbarig zette ik het plechtig in hun winkelkar op een doos eieren. Dat leek mijn vader te triggeren om, totaal onverwacht, ‘nee’ te zeggen. ‘Nee, je hebt al ridders genoeg en je moet maar eens leren dat je niet zomaar alles krijgt wat je vraagt.’

Ik slikte. Als een visje op het droge. Alle lucht werd mij ontnomen en dus spartelde ik. Vooral tegen. Ik had beter moeten weten, want zulk gedrag werd door onze pa nooit getolereerd. Nochtans was dit van levensbelang, bijgevolg impliceerde het overlevingsdrang en dus ging ik als een roofdier op zoek naar de zwakste prooi. Mijn moeder, naar analogie met onze pa altijd ons ma genoemd. Ik zocht haar met mijn ogen om haar op mijn puppyachtigst te bekijken, maar ze deed alsof ze niet wist welke koffie ze moest kopen. ‘Maar ik wil het zo graag. Het is het mooiste riddertje aller tijden!’

Verschrikkelijk foute zet. Onze pa was allergisch voor zinnen die met het woordje ‘maar’ begonnen, dus maakte hij zijn ogen kleiner, liet hij zijn wenkbrauwen zakken en zei hij met diepe stem: ‘Terugleggen, hop!’ Terzelfdertijd maakte hij een beweging met het hoofd, waarbij hij zijn neus opwaarts en in één snelle ruk richting speelgoedafdeling bewoog. De koffiekeuze scheen onoverkomelijk moeilijk en alleen al het feit dat ik na deze weigering nog steeds contact scheen te zoeken met ons ma, werkte voor onze pa als een rode lap op een stier, of als een wortel op een konijn of een banaan op een aap. In elk geval vergeleek ik onze pa op dat moment met allerlei beesten en ons ma met een bange wezel of één of ander laf dier dat ik niet kon benoemen omdat ik niet zo snel een laf dier kon bedenken. Een lafaard denk ik dat het was. Zoals een luiaard, maar dan veeleer laf dan lui.

Ik sleepte mezelf helemaal terug naar de bak met de ridders. Mijn beentjes wogen plots elk honderd kilo. Boys don’t cry, al kostte het ellendig veel moeite. Evengoed was het onrechtvaardig. Een ros jongetje zat met zijn besproete handjes ruw in de ridderbak te woelen. Ik kon het niet. Het ging gewoon niet. Het riddertje verdween in mijn jaszak. Niemand zou het weten en niemand zou het missen. Ik ging terug naar mijn ouders en hield beide handen in mijn jaszakken tot we weer uit de winkel waren. De mist was verdwenen. De zon straalde. Mijn hart huppelde van plezier.

Thuis hing ik mijn jas voorzichtig aan de kapstok en al vrij snel hadden we gegeten. Ik wist niet eens wat ik at en dacht aan wat er in mijn jaszak zat. Mijn broers wilden zo snel mogelijk naar buiten, want het had de voorbije weken alleen maar gemiezerd en oude wijven geregend. Ik sloop stilletjes naar mijn jas, vond mijn miniatuurheldje en knuffelde het innig. Een ontroerend weerzien, dat mijn vader vanop een afstandje met weerzin aanschouwde.

Wat volgde ga ik niet te uitgebreid beschrijven. Onze pa was in elk geval woedend, dat zag ik aan zijn neusvleugels en hoorde ik aan het volume van zijn stem. Ik weet niet meer wat hij precies riep of zei, maar na afloop voelde ik me schuldig aan de diefstal van de eeuw. Een schande voor de familie. Een zware crimineel. Een nietsnut. Crapuul. Hij speelde zelf voor openbare aanklager en stelde zware straffen voor, zoals honderd stokslagen, afkapping van mijn linkerhand of te voet teruggaan naar de winkel, mijn excuses aanbieden en het riddertje teruggeven. Uiteindelijk werd het riddertje in beslag genomen. Ik zou het nooit nog terugzien. Verder mocht ik eens heel goed gaan nadenken over wat ik misdaan had in ‘het gangske’. Dat was wat bekakt volk op z’n Engels de ‘hall’ zou noemen. Zelf weigerde ik om het ‘de hal’ te noemen, want een hal was een grote zaal, zoals een sporthal en dit was een gangetje tussen de keuken, de voordeur en de trap naar de bovenverdieping.

Daar stond ik dan. Ridderloos, maar vooral waardeloos te zijn. Helemaal alleen en met betraande ogen. Letterlijk en figuurlijk stond ik onderaan de trap. Een trap die ik in geen geval mocht betreden, had onze pa gezegd. Ik moest in het gangske blijven. Het vagevuur. Uitschot. Schorriemorrie. Veel viel hier uiteraard niet te beleven. Er stond een grote houten kist waarin mijn moeder pyjama’s, sjaals, mutsen en handschoenen bewaarde. Aan de andere kant hing een ronde spiegel, maar ik had geen spiegel nodig om mezelf terug te zien.

Naast de voordeur hing immers een replica van een schilderij van Giovanni Bragolin, één of andere Italiaanse kinderhater die niets anders op zijn doeken gekladderd kreeg dan wenende kindjes. Bijna in elk interieur vond je die miserabele pleurportretten of schrijschilderijen terug. Ik haatte ze en dat doe ik nog steeds. Naast de voordeur was ook een zijlicht met van dat geribbeld draadglas. Het liet het zonlicht door en daar was alles mee gezegd. Je zag amper wat. Ik spotte nochtans veel bewegende silhouetten nu. Hoorde vooral veel. Het was druk op straat. Niet moeilijk. Het was stralend weer en alle kinderen van de straat verzamelden zich zo’n beetje rond ons huis. Alsof ze het opzettelijk deden. Dat was niet zo. Ons huis lag nogal centraal in de straat en bijna al onze buren waren ooms en tantes, met neefjes en nichtjes van ongeveer dezelfde leeftijd. Het was er heerlijk opgroeien. Heerlijk spelen. Niet voor mij. Niet vandaag. De anderen lieten het alvast niet aan hun hart komen. Er werd gevoetbald, getennist, gehinkeld en vooral gelachen. Dat zat er voor mij de eerste dagen niet in. Heel af en toe passeerde er een auto, aan lage snelheid.

Net zoals mijn dag. Die verliep ook niet al te snel. Gek genoeg ging ik deze straf na verloop van tijd wel waarderen. Ik dacht na. De buitengeluiden inspireerden me en hoe langer hoe meer was ik blij met deze afzondering. Hoe lang ik daar gestaan heb als boetedoening? Ik heb geen idee. Het heeft alleszins wel een grote indruk op me gemaakt.

Met de riddertjes heb ik sindsdien nooit meer gespeeld, omdat ik me voorgenomen had om een nieuwe start te maken. Toen ons ma me uiteindelijk kwam ‘bevrijden’, wist ik dat ik mijn straf had uitgezeten, maar ik was helemaal niet klaar om me te reïntegreren in de maatschappij. De rest van de namiddag keek ik stiekem en ongestoord door het ruime venster van de living naar het spelplezier van de buitenkinderen. Alles was ineens helder geworden. Het zou nooit nog in me opkomen om een diefstal te plegen en het respect voor mijn ouders zou nooit nog verminderen, enkel nog vergroten. Ooit zou ik al mijn gedachten opschrijven en ooit zou ik mezelf aanvaarden. Het was een dag van ooit en nooit. Een dag om nooit te vergeten.

Danny Vandenberk (°29/06/1972) is geboren met een pen in de hand. Zijn schrijfstijl is uniek: humoristisch, vlot, speels en doorspekt met absurde associaties en wonderbaarlijke woordspelingen. Danny de dubbelzinnige is een taaltalent, een woordgoochelaar en een letterjongleur. Zijn boeken raken je gevoelige snaar, toveren een glimlach op je gezicht of doen je huiveren, maar onberoerd laten ze je nooit.

Meer informatie over de auteur en zijn boeken vind je hier.

Met dank aan Kamer voor Heemkunde Mol voor de oude foto’s van de GB.

56 rating(s), gemiddelde: 4.6.